Preek: Eerste zondag van de Veertigdagentijd 2016

Het evangelie van de verzoeking in de woestijn gaat erover dat je voortdurend een keuze krijgt voorgelegd. Je kunt je er niet aan onttrekken. O ja, je kunt doen alsof het geen keuze is, maar de gewoonste zaak van de wereld: dat je leeft zoals je leeft en doet zoals je doet en denkt zoals je denkt. Maar daaronder ligt heel fundamenteel een keuzemoment tussen goed en kwaad, recht of slecht. Beslissend, maar heel subtiel. Want wat goed is, is je meestal wel duidelijk, maar wat kwaad is kan zich in het raffinement waarin je eigen geest zich hult, zomaar voordoen als toch wel heel acceptabel.
Het gaat in het evangelie over de vraag hóe Jezus Zoon van God zal wezen en dus over hoe wij als kind van God zullen leven. Over hoe je je doelen denkt te bereiken en dat de snelle, makkelijke weg binnendoor niet de rechte weg blijkt te zijn. Jezus hoort stemmen: daar zijn de duivel en de Geest van God. Er klinken citaten uit de Psalmen en woorden uit de wet van Mozes. Het is alles heel verwarrend en bedrieglijk, want aan wie moet je gehoor geven en waar ga je nu te rade?
De Bijbel helpt je niet, want hier in dit verhaal begint juist de duivel psalmen te zingen. Dus zo kan het ook nog eens gaan, dat welluidend met een warme bariton de duivel de vroomste liederen zingt, gregoriaans, songs of praise. En hoor die duivel eens zingen: ‘Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken’ en: ‘Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen’.

Met andere woorden: niets zal je deren, waarde Jezus. Maak nu maar haast met je koningschap, als een Heer die in heerlijkheid komt en zich, gedragen door een legioen van engelen en met groot vertoon, verwaardigt af te dalen tot het hart van Jeruzalem, het tempelplein. Bespaar je de omweg van een hemel en een hel. Het is maar een klein stukje: stort je van het dak van de tempel

en in een punt des tijds zullen de engelen, zo snel als hun vleugels hen kunnen dragen, met de lichte wolkenwagen aanstormen. Hemelse heerscharen, paarden en ruiters van Israël, ze zullen je dragen en met een zachte plof op de voorhof zal je koningschap eens en voorgoed bewezen en bevestigd zijn. Waarom wachten? Waarom geduld oefenen? Waarom die lange weg gaan?
De duivel heft psalmen aan, althans die ene, Psalm 91, de enige die hij helemaal uit het hoofd kent. In overoude tijden was Psalm 91 een bezweringsformule ter afwending van demonen, klopgeesten, gevallen engelen, de duvel en z’n ouwe moer. Een vervloeking van de boze machten

en van alles wat een mens maar angst aanjaagt. De duivel had die psalm zo dikwijls naar de oren geslingerd gekregen dat hij hem inmiddels wel van buiten kende, zo vertelt het verhaal. Dus zingt de duivel Jezus een hele muzikale fruitmand toe.
Het betekent dat daar in de woestijn zelfs de bijbel en het gezangenboek uit je handen worden geslagen, want je moet weten: ook daarvan kan misbruik worden gemaakt. Wat houd je dan nog over als zelfs het woord van God niet hij voorbaat te vertrouwen is? Immers, ook dat hangt af van wie het in de mond neemt. Jezus wordt op zichzelf teruggeworpen, jij, mens in de woestijn van het leven, soms een oase, maar vaak ook een onafzienbare woestenij, je wordt op jezelf teruggeworpen, geen God in de hemel die je uit handen neemt wat jóu hier te doen staat. En nu je tot helderheid tracht te komen, hoor je stemmen. En in alle verwarring weet je niet of het je geweten is dat zich hier meldt, dan wel de arglist van je eigen hart. Eén ding is duidelijk: je bestemming is in het geding. Als je de Zoon van God bent...’  Het gaat hier om niets minder dan je roeping en je levensweg en of jij wordt zoals de Allerhoogste je gedacht en gewild en bedoeld heeft.

Ik moet denken aan Piet Kuiper. Hij was psychiater in Amsterdam, hoogleraar psychiatrie, een man van naam en faam, dé specialist op het gebied van depressiviteit. Maar de psychiater raakte zelf psychotisch, hij werd opgenomen, behandeld, kreeg medicatie, hij was ver heen. Hij heeft in een boek, met de titel Ver heen, verslag gedaan van zijn depressies. Van zijn angsten, zijn psychotische wanen. Hij dacht dat hij in de hel beland was, voor eeuwig verloren. Hij meende dat hij was verdoemd. Er zou geen daglicht meer gloren, hij zou geen vogel meer horen zingen, zijn depressie had hem in een uitzichtloze hel gebracht. Niet de hel als beeldspraak voor iets ergs, maar de werkelijke hel.
Hij was een nazaat van Abraham Kuiper, de gereformeerde voorvader, dus zat er in zijn geestelijke bagage ook voldoende godsdienstigheid om last van te krijgen: schuld, vreze en beven. Hij meende in de hel te zijn geworpen en was in zijn wanen onbereikbaar. Maar eens drong toch langzaam tot hem door dat de ziekenhuispredikant zei: Piet, dit is niet de hel, dit is de woestijn. Geleidelijk aan diende dat beeld van de woestijn zich meer en meer bij hem aan. De angsten, de schuld, de wanen bleven dezelfde, maar het maakt wel verschil of je bent verdoemd tot de hel, of dat je in de woestijn bent terecht gekomen.
Want een hel is uitzichtloos, er is geen morgen, geen nieuwe dag, een hel zou eeuwig zijn. Maar een woestijn, daar loopt een weg doorheen, daarin kun je gaan dwalen en verdwalen, je hebt dorst, maar ver weg — je kunt het nu nog niet zien — , daar moet toch ergens een oase zijn. Dat beeld van de woestijn deed gaandeweg zijn werk met hem, want een woestijn daar trek je in en door en misschien ook weer uit! Er loopt een weg doorheen, een heel lange weg, een weg van vele dagreizen, een eenzame weg, maar niettemin, er is een perspectief, er komt een einde aan. Ver weg, over de horizon, daar wordt de woestijn een steppe en nog verder groeien bomen en stroomt een rivier. En er staat geschreven dat de woestijn zal bloeien als een roos.
Ik wil nog op een paar bijzonderheden van het evangelie wijzen.

Jezus wordt naar de woestijn geleid, niet door de duivel, maar door de Geest van God. Dát staat voorop: je wordt geleid door de Geest, daar mag je op vertrouwen, zoals de Geest Jezus ook weer uit de woestijn geleid heeft. Maar het gaat niet met zachte hand, de Geest drijft Jezus voort, spoort hem aan, de Schepper Geest, dáár gaat het initiatief van uit. En de Geest brengt hem naar de woestijn. Dat is niet de Godverlatenheid, dat is dus niet de hel, maar het is de plek waar het leven geléérd moet worden, het is een land waar je doorheen moet.

Zo was het sinds de dagen van de kinderen Israëls. Die hebben veertig jaren in de woestijn geleefd, niet omdat de reis van Egypte naar Kanaän zoveel tijd in beslag neemt, maar omdat er onderweg zoveel te leren was en nog meer af te leren. Leren leven als mensen voor wie een beloofd land is weggelegd, leren leven voor het aangezicht van God als een heilig volk, dat wil zeggen: als een volk dat door God gemachtigd is om de menselijke waardigheid te bewaren. De reis van Egypte naar Kanaän duurt niet zo lang, maar de reis uit een slavenbestaan naar de vrijheid van Gods kinderen, daar staat een generatie voor: die duurt veertig jaren.

Je verwisselt je mentaliteit niet als een oude jas. Ieder mens weet wat een worsteling het is om vrij te zijn. Want, ja, Jezus is gekomen, mens, je bent gered, maar nog niet verlost. Je moet met hem mee de woestijn in, gedreven door de Geest, om het kindschap Gods te leren. En in de woestijn kom je de duivel tegen en alle verzoekingen en verleidingen zijn daar: je wensdromen en je vluchtgedrag, de ontkenning van de feiten en je grootheidsdenken. Het zal je allemaal niet helpen, je komt de duivel tegen en je hebt je met hem te verstaan.

Het verhaal spreekt van veertig dagen en veertig nachten, maar ze staan voor heel Jezus’ leven. De verzoeking in de woestijn is niet een bepaalde episode, waarvan Jezus later zou kunnen zeggen: blij dat het achter de rug is. Nee, deze veertig dagen en veertig nachten symboliseren zijn hele leven. ‘Als je de Zoon van God bent...’ Tot op het kruis heeft de verzoeker hem met die vraag achtervolgd: ‘Als je de koning der Joden bent, red dan jezelf!’ ‘Als je de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af.’
Jezus in de woestijn is een samenvatting van heel het evangelie, niet een wat mythologisch aandoend tafereel aan het begin. De woestijn ligt niet eens en voorgoed achter je, het is een beeld van wat het is een mens te zijn op aarde.

De evangelisten Lucas en Mattheüs hebben het verhaal verschillend overgeleverd, en juist deze verschillen laten zien dat in dit ene verhaal het hele evangelie geconcentreerd is. De verschillen liggen hierin dat Mattheüs en Lucas heel bewust hebben nagedacht over: Wat moet de laatste verzoeking zijn? Wat is het hoogtepunt, waar loopt het op uit? En dat hebben ze verschillend gedaan, het zijn gecomponeerde verhalen.

Volgens Mattheüs vond de laatste verzoeking plaats op een berg, die allerhoogste berg, vanwaar, toen de aarde nog plat was, elk land, ieder koninkrijk en iedere mogendheid was te overzien. De duivel fluistert hem dan in: ‘Dit alles, alle macht, militair, politiek, economisch, zal ik je geven als je een knieval voor mij maakt.’ Met andere woorden: waar Mattheüs het meest beducht voor is, is de verleiding van de macht, die corrumpeert, die hongerig maakt, en je ziet telkens weer hoe mis dat gaat. Mattheüs ziet wereldlijke macht en hoe daarmee om te gaan als het toppunt van de verzoeking, die hij plaatst op de berg, zoals heel zijn evangelie — via de Bergrede — uitmondt op de berg van de hemelvaart, waar uiteindelijk, als een laatste perspectief, Jezus zegt: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Dat is de belofte van hem die vanaf het kruis regeert.
Maar Lucas doet dat allemaal dus anders, want volgens hem is het grootste gevaar niet van de wereld maar van de religie te duchten. Dus vindt de laatste verzoeking, zoals hij die beschrijft, plaats in het heiligdom, de tempel, de meest omstreden plaats op aarde. De gevaarlijkste verzoeking is dat Jezus zich in het heiligdom eigenmachtig zou manifesteren als een religieus genie of als een clown, de religieuze potsenmaker die de show steelt en alle aandacht op zichzelf vestigt. Dat is volgens Lucas de eigenlijke verzoeking: dat Jezus een godsdienststichter zou worden, een idool, met een religie die zich naar hem noemt, maar waarin het ondertussen niet meer gaat om het heil maar om de Heiland, een godsdienst die het te doen is om de Redder en Bevrijder,in plaats van waar het toch om begonnen is: om redding en een bevrijdende praxis.
Dus Lucas plaatst de laatste verzoeking in de tempel, zoals hij het hele evangelie ook begint in de tempel, met Zacharia die zijn tempeldienst verricht, en zoals het laatste woord van zijn evangelie luidt: ‘De leerlingen keerden terug naar Jeruzalem en waren voortdurend in de tempel, God lovend’.

Ja, het verhaal van de verzoeking in de woestijn, daarin ligt heel het evangelie samengebald, als een blauwdruk. Hier leer je dat een mens zich verre heeft te houden van de hoogmoed, de eigenwaan en de zelfverheffing, want juist dit kwetsbaar bestaan — hier in deze woestijn — is door God geliefd en zijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
En nu: de Veertigdagentijd is begonnen en wij maken ons op om weer Pasen te vieren en te leren wat wij altijd weer opnieuw moeten leren: dat de weg voor je uit door Christus gebaand is. Dat betekent in alle beproeving van het leven: mens, je bent gered, prijs God daarvoor, maar nog niet verlost, blijf daarom bij hem die het Messiaanse leven draagt. Er is er al eens één de woestijn doorgekomen.

Pastoor Nico Schoorl

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS