Preek n.a.v. Exodus 32:7-14 en Lucas 15:1-10 (zondag 15 september 2013)

Preek 15 september ’13

Lezing Exodus 32: 7- 14 en Lucs 15: 1- 10

Wat een spannend gedeelte uit Exodus was dat, wat we hebben gelezen.
Je ziet de spanning ontstaan: Israël in de woestijn, uitgenodigd door een belofte, maar tegengehouden door de onzekerheid van de toekomst.

Ze willen wel naar het beloofde land, maar ze laten ook het bekende achter en dat valt niet mee, zelfs niet als het Egypte betreft.

Ze willen wel in Gods Woord geloven, maar hebben tegelijk ook liever een zichtbare God.
Ze willen wel naar Mozes luisteren, maar hebben ook hun eigen gedachten.

 

Zo, heen en weer getrokken tussen geloof en twijfel,
tussen verleden en toekomst,
tussen Kanaän en Egypte, bevinden ze zich in de woestijn.
Zij zijn het uitverkoren volk, God heeft voor hen gekozen, en zij geloven.

Ze gaan ons, gelovigen, voor, in hun vertrouwen en in hun vragen.

Dan blijft Mozes lang weg. Wachten is altijd moeilijk, afwachten is nog moeilijker. Als de tijd verstrijkt ga je je rare dingen in he hoofd halen.

Dat Mozes niet terug komt.

Dat je er alleen voor staat.

Dat God er misschien ook niet is.

 

Dan gaan ze zoeken, zoeken naar houvast.
Naar elkaar, naar kracht, naar iets dat moed geeft,
meer dan een stem, meer dan een woord, meer dan een belofte,
meer dan een oude man die Gods naam heeft gespeld, maar nu ver weg is.

 

Het wordt een beeld van een stier, het wordt een altaar, het wordt een feest.

 

En het wordt de fout te denken dat hun eigen gemaakte stier hen uit het land Egypte heeft geleid. Daar gaat het fout. Als ze denken dat hun eigen maaksel hen heeft gered. Dat ze zich aan hun eigen haren uit het moeras van Egypte konden onttrekken. Dat die wonderlijke nacht van de redding en bevrijding hun eigen initiatief is geweest.

 

God ziet wat het volk doet en wordt boos, verdrietig, teleurgesteld, dit alles klinkt door in wat Hij tegen Mozes zegt. Ze zijn afgeweken van de weg die ik hen wees. Ze zijn onhandelbaar, ze zijn het niet waard om me verder voor in te zetten.

God zegt: Mozes, jij doet je best, met jou zal ik het goed maken. Maar verder trek ik mijn handen af van dit volk. Met onze menselijke maat zouden we zeggen: alle begrip.

Mozes laat het er niet bij zitten.

Hij smeekt God om zijn uitverkoren volk niet in de steek te laten.

Hij smeekt om een nieuwe kans.

Heel slim, want zo zegt hij: als U uw handen aftrekt van dit volk, dan zullen ze omkomen in de woestijn. Daarvoor hebt u ze toch niet bevrijd! Dat is dan toch zonde van de inspanning, zonde van al dat werk?

Mozes zegt het niet, maar het klinkt tussen de regels door: dan zullen ze U erop aan kijken. Dan zullen de mensen zeggen: wat een rare God, die God van de Israëlieten, hij bevrijdt hen, maar laat hen even later weer in de steek. Hij zegt: Ik ben erbij- maar als ze een keertje feest vieren rondom een beeld, lijken die woorden niets meer te betekenen. God, u maakt uzelf ongeloofwaardig als u besluit uw handen af te trekken van uw volk. Hoewel… ze hebben het er zelf naar gemaakt. Maar toch…

 

Dan, dan… dan komt God terug op zijn eerder genomen besluit.

We zeggen wel eens: God is onveranderlijk.

Niet ten prooi aan grillen, zoals wij mensen. Wij willen de ene keer dit, en even later weer iets anders. Wij zijn wel eens te betrappen op een inconsequentie.

Maar God niet, Hij zou onveranderlijk zijn.

 

Nu bekeert God zich van zijn toorn, nu komt Hij terug op zijn besluit, en ziet af van het onheil om zijn volk te treffen. Hij komt terug op zijn eerste besluit, namelijk het volk bevrijden, en naar het beloofde land brengen.

Hij blijft trouw aan zijn naam: Ik ben erbij.

 

Toewending, dat is het centrale woord dat de beide lezingen uit Exodus en uit het evangelie naar Lucas met elkaar verbindt. God wendt zich tot zijn volk, als een herder laat hij zijn kudde niet in de steek.

 

Eeuwen later vertelt Jezus twee gelijkenissen over de herder met zijn verloren schaap en de vrouw met haar verloren muntstuk. Dat zijn de gelijkenissen over God die zich wendt tot zijn mensen. Over Jezus Christus die in Gods Naam, omziet naar wie verloren is.

 

Jezus zoekt naar tollenaars en zondaars, hij zoekt naar mensen in de stegen en op de pleinen, hij zoekt naar mensen die door de Farizeeërs als verloren worden beschouwd,  en misschien is dat nog wel veel erger: zij beschouwen zichzelf als verloren.

 

Farizeeërs zeggen: wie zichzelf buiten de gemeenschap plaatst, blijft buiten de kring. Iedereen die verloren is, zich niet houdt aan onze manieren, kan de gemeenschap verzwakken. Iedereen die zich niet houdt aan Gods manieren, plaatsen we buiten de kring.

Een ketting is immers zo sterk als de zwakste schakel.

 

Jezus laat zien dat Hij in Gods Naam de mensen opzoekt, zoals een herder zijn schapen opzoekt die verdwaald zijn. Het is een overbekend beeld voor de relatie tussen God en zijn volk: God is de herder en het volk, de gelovigen zijn Zijn kudde. Wij zijn de schapen die horen naar Gods stem, of dat in elk geval zouden moeten doen.

Zoals een herder zich verantwoordelijk voelt, zo is ook God betrokken op zijn mensen. Het herders thema komen we overal tegen in de Schrift.

 

De Farizeeërs zullen bij de eerste zin van de eerste gelijkenis ook meteen in de gaten hebben gehad: Jezus vertelt over onze God. Het gaat over God, en over ons. Dat zij tot Gods kudde behoren, is mooi, misschien ook vanzelfsprekend. Dat er schapen, mensen verdwalen, zal zo zijn.

 

Het lastige zit natuurlijk in het feit dat de herder, God dus, zo nodig de hele kudde in de steek laat, om dat ene schaap te vinden. Anders dan zij gewend zijn.

God vindt, zo legt Jezus het uit, dat de gemeenschap compleet moet zijn, iedereen hoort erbij, er kan niemand gemist worden, en daarin gaat Hij heel ver.

Dat Lucas daarna de gelijkenis nog eens herhaalt en God vergelijkt met een huisvrouw, vind ik heel leuk, ik weet niet of de Farizeeërs er toen zo gecharmeerd van waren. De conclusie is natuurlijk hetzelfde: God wendt zich tot wie verloren zijn, voor wie verdwaald is, voor wie buiten de gemeenschap terecht is gekomen.

En de blijdschap omdat gevonden is, is in beide gelijkenissen enorm.

 

 

Gerrit Achterberg heeft een gedicht geschreven, dat aansluit bij deze teksten over Gods toewending naar de mensen. Er bestaan 2 versies. De eerste sluit precies aan bij de lezing over het verloren schaap.


 

Deïsme 

De mens is voor een tijd een plaats van God. 
Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,
dan wordt hij afgeschreven op een steen. 
De overeenkomst lijkt te lopen tot 
deze voleinding, dit abrupte slot.

Want God gaat verder, zwenkend van hem heen 
in zijn miljoenen. God is nooit alleen. 
Voor gene kwam een ander weer aan bod.

Wij zijn voor hem een vol benzinevat, 
dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt, 
al de afval, met zijn wezen in strijd.

Sedert hij voortbeweegt en zich verspreidt
gingen wij dood en liggen langs het pad.

Als niet de herder Jezus Christus kwam
 
om ons te vinden als verloren lam.

.

.

.

Joke Kolkman 

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS