Preek over Johannes 10:22-30 en Openbaring 7:9-17

zondag 21 april 2013

Het debat tussen Jezus en zijn volgelingen aan de ene kant en de Schriftgeleerden en Farizeeërs aan de andere kant wordt steeds scherper op de snee gevoerd. Het is het feest van de tempelwijding, een relatief nieuw feest dat in Jeruzalem werd gevierd. Men herdacht hoe in 165 voor Christus de tempel opnieuw werd gewijd na de periode waarin de Syrische koning Antiochus Epifanes de scepter had gezwaaid in Jeruzalem. En weinig respect had betoond voor de heilige plaatsen.

Het is winter, maar het voorjaar zal komen, het Pesach feest zal komen. Het Pesach feest, we weten het allen, het Pesach feest waarin het Lam zal worden geslacht. Tempelfeest, winter, woorden waarmee de evangelist Johannes een sfeer aangeeft van grimmigheid.

Als u de Messias bent, zeg het ons dan.

Als u de koning der Joden bent, zeg het ons dan.

Als u de Zoon van God bent, zeg het ons dan….

Mensen willen antwoord op die vraag, of… willen ze dat wel? Jezus zegt: ik heb het al eerder gezegd dat ik het ben, maar jullie luisteren niet. Jullie horen het niet, jullie verstaan het niet. Jullie willen eigenlijk niet weten wie ik ben, jullie willen mij eigenlijk veroordelen, mij in een hokje stoppen, het hokje: gevaarlijk, godslasterlijk, ketters, uit de weg te ruimen.

Dan pakt Jezus het beeld weer op dat is ingezet aan het begin van hoofdstuk 10: Ik ben de goede herder. De schapen, de mensen horen bij mij. Ik ben er voor hen. Maar niet voor allemaal, er zijn andere kuddes. Een beeld, niet om te veroordelen, jij mag wel bij mij horen, en jij niet. Een beeld want er zijn mensen die andere keuzes maken. Er zijn mensen die in Hem niet de herder herkennen. Er zijn mensen die hem misschien wel horen, maar niet verstaan. Er zijn van die mensen, toen, en nu, de eeuwen door.

Misschien wel mensen die wij kennen, die ons dierbaar zijn, kinderen, geliefden, die wij er bij willen slepen, maar niet kunnen. Er zijn schapen die niet bij Jezus kudde willen horen. Dat is een besluit van die mensen, niet van de Herder, Hij heeft geen ledenstop op zijn kudde.
Er zijn geen wachtlijsten, maar wel voor iedereen de persoonlijke keuze en verantwoordelijkheid.

Maar wie Hem aanvaardt als onze Herder hoort de woorden van troost, vertrouwen: we worden niet uit Gods hand geroofd. Niemand, niets kan dat. Uiteindelijk… wat er ook gebeurd, mensen die bij God horen, blijven bij Hem, En God blijft bij die mensen. Niets zal ons scheiden van de liefde van God. Het leven en de dood kunnen ons niet scheiden van God.

Mooie woorden, troostrijke woorden, maar dus ook aanstootgevende woorden. Ik zei al: Johannes roept een sfeer van dreiging, grimmigheid op met die aanduiding: tempelwijding en winter. Je weet dat het na de winter voorjaar wordt, maar dat het ook Pesach wordt. Het vervolg van deze lezing is dan ook; de Joden raapten weer stenen op om hem te stenigen.

Het is dit thema dat Paulus oppakt in zijn rede die we hebben gelezen. Hoe de Joden inderdaad, figuurlijk dan, hun stenen hebben opgepakt en Hem gedood. We kennen het verhaal.

Het thema van de goede Herder komt ook terug in de lezing uit Openbaringen.

De absurde omkering vindt plaats: de herder wordt het Lam.

Bij het visioen uit Openbaring steekt onze viering op zondagmorgen wel sobertjes af. Dat kan ook niet anders. God wil een kudden verzamelen, uit Israël en alle andere volkeren. Het moet één kudde worden met één herder. Dat is waarnaar Hij streeft. Een kudde, één herder. Dan is niet meer de vraag: hoe kom ik er bij? Maar de vraag: hoe kun je daar in Gods naam niet bij horen? En de herder? Die lijkt op een Lam.

In het boek Openbaringen is dit het derde tafereel dat ons voor ogen wordt gesteld. In vers 4 tot en met 8 worden de 144 duizend genoemd, uit elke stam van Israël 12 duizend. Vers 9 begint met de ontelbare menigte.

Het hoort bij elkaar. Die 144 duizend zijn de getelden. Soldaten, strijders kun je tellen, opgesteld in rijen van 4 of 10, in bataljons, keurig opgesteld, dat zijn de gelovigen die moeten strijden, voor hun Heer, voor hun geloof, tegen het onrecht, tegen de onderdrukking, tegen de duivel, tegen hun zonde, tegen de verleidingen, tegen de mensen die stenen oprapen. Tegen zichzelf misschien. Het zijn de gelovigen die hoe dan ook, strijden tegen de wereld. Om tot een betere wereld te komen.

En dan staan er ontelbaren. Dan is de strijd gestreden, verdeling is overbodig. Het doet er niet meer toe waar je vandaan komt, het is alleen nog belangrijk waar je nu bent: voor de troon van het Lam.

Rare beelden: mensen hebben hun gewaden wit gewassen in het bloed van het Lam. Dan kan niet. Bloed maakt rode vlekken, en die vlekken roepen geweld op, gevaar, en misschien wel wraak. Voor mijn ogen schemert nog de foto van die man die zijn onderbenen verloor bij de bomaanslagen in Boston afgelopen zondag. Onder het bloed, angst, terreur, geweld, dood, wraak, gevaar, allemaal in die ene foto met die man onder het bloed.

De ontelbaren staan voor de troon met het Lam. In een eerder hoofdstuk wordt nog het beeld van de leeuw gebruikt, de leeuw die Judas overwonnen heeft. Weer zo’n absurde omkering. Hoe kan een leeuw nu een bokje, een lam, worden. Een absurde omkering, dat de Koning van de wereld, die de wereld overwint, zich laat zien als het geofferde Lam. Gods Zoon schenkt zijn leven aan de wereld, de leeuw wordt een lam. Hij heeft zichzelf ontledigd, Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar nam de gestalte aan van een slaaf.

De leeuw werd een Lam.

En in het boek Openbaring komt de leeuw ook niet terug. Het Lam blijft, het is geen tijdelijke opwelling van nederigheid, het is een zichzelf geven voor de mensen. Het is een zichzelf geven voor de menigte met witte gewaden, gewassen in zijn bloed.

De mensen hebben zelf hun kleren gewassen. Ze zijn hen niet aangereikt toen de strijd gestreden was. Ze hebben ze niet zomaar gekregen. Ze hebben ze zelf verworven. Door alles te doen waar een Lam voor staat. Door zichzelf te geven, door vergeving te oefenen, door niet op wraak uit de zijn maar juist vrede na te streven, door niet zichzelf maar God en hun naaste te zoeken. Door op de een of andere manier bij Christus kudde te horen. Door Zijn Stem niet alleen te horen, maar ook te verstaan.

Deze mensen wassen hun kleren in het bloed van het Lam, deze mensen staan voor de troon, niet van de leeuw, maar de troon van het geslachte Lam, deze mensen zijn ontelbaar, want ze hebben de strijd gewonnen.

Zo stelt Johannes het ons voor.

Zo troost Johannes ons, met deze absurde beelden, die juist daarom weergeven waar het om gaat in ons geloof. Wie oren om te horen heeft, die hore…

Wie ogen heeft om te zien… zal zien…. En bij de ontelbaren behoren.

 

Nog een laatste opmerking over het laatste vers dat we gelezen hebben uit Openbaringen:

Want het Lam midden voor de troon zal hen hoeden, dat beeld van herder en lam op die rare manier weer omgedraaid, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Die tranen hebben te maken met dat bloed, met de strijd, met de pijn, met de verdrukking, met de grote verschrikking. Laat niemand zeggen dat gelovigen niet hoeven te huilen. Zolang we op deze aarde zijn, is er reden genoeg om te huilen.

Als we zijn aangekomen bij de waterbronnen van het leven, bij de bron van ons bestaan, bij God zelf, dan is het niet meer nodig. De tranen die stroomden, die tranen die uiteindelijk te maken hadden met het Lam, met het bloed, met God zelf, die tranen die stroomden om de strijd op het scherpst van de snee, die tranen zijn dan niet meer nodig. Die verbinding met God als de bron is niet meer nodig. Dan is God zelf in ons midden.

Dan zal God zelf de tranen van onze ogen wissen.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

.

.

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS