Petrus en Paulus (3)

Het is nogal wat om op of eigenlijk net na het hoogfeest van Petrus en Paulus tot priester gewijd te worden. Dat gebeurde 30 juni met Bernd Wallet en enkele jaren geleden met twee vrienden van mij van de Societeit van Jezus. Je ambt als priester komt in het teken te staan van wie we toch wel de eersten onder de apostelen mogen noemen. Toch is er met beide apostelen iets aan de hand. Beide hebben duidelijke kreukels in het hun CV, Hun leven als apostel is niet zonder meer heilig geweest.

Ezechiël 34, 11-16

Tweede brief aan de Korintiers 11, 16-30

Johannes 21, 15-19

Petrus kennen we als een haantje de voorste die vooral woorden kent, maar bij de daden achterblijft. Als eerste van de apostelen is hij ook degene die op Judas na- het hardste valt. Tot drie keer toe verloochent hij Jezus. In de evangelielezing van vandaag lezen we hoe hij door Jezus ondervraagd wordt. In plaats van zijn drievoudige verloochening laat Jezus hem tot drie keer toe bevestigen dat hij Jezus liefheeft. Hij krijgt van Jezus de opdracht om Zijn schapen te hoeden.

Paulus lijkt wel een tegenpool van Petrus. Zoals Petrus eerst trouw is aan Jezus en kort na diens arrestatie Hem verloochent, zo is Paulus eerst een vervolger van de christenen, een vijand van Jezus, en later de fanatiekste apostel. Paulus was een farizeeër die zo overtuigd was van zijn geloof dat hij de aanhangers van het christendom vervolgde. Zijn religieuze fanatisme maakte van hem moordenaar. Zoals we tegenwoordig de religieuze terroristen hebben, zo ging ook Paulus' geloof over lijken.

Petrus en Paulus zijn de eerste onder de apostelen en hebben in de kerkelijke traditie een voorname plaats gekregen. Geen van de andere apostelen krijgt zo'n belangrijk feest toegewezen. Beide hebben hun leven als leiders van het christendom gegeven, maar hun belang voor ons, gelovige mensen nu, is niet hun geweldadige dood als martelaren. Petrus en Paulus laten in hun leven een worsteling met geloof zien. In Petrus zien we de enthousiaste gelovige, die de verkondiging hoort en misschien enkele religieuze ervaringen heeft. Iemand die zich voorneemt om alles over te hebben voor Jezus, maar die in de praktijk het verliest van de angst. Zijn woorden zijn nog geen daden. Het ontbreekt hem aan moed om te getuigen. Paulus heeft daar geen moeite mee, maar zijn fanatisme verblindt hem, laat hem de echte kern van het geloof, de liefde voor God en de naaste, vergeten. Deze houding vind je soms terug in streng gelovige groepen die mensen uitsluiten omdat hun opvattingen of levenswijze niet overeenkomen met hun religieuze ideeën. Men vergeet dan dat Jezus eerst de mensen accepteerde en daarna tot bekering bracht. De houding van Petrus is voor ons Oud-katholieken misschien herkenbaarder. We geloven wel in God en Jezus, we ervaren iets aan de kerkdienst, maar als het op getuigen aankomt dan schrikken we terug. Dan willen we niet opvallen, onze nek uitsteken en doen wat God van ons wil.

In Petrus zien we de gelovige mens met overtuiging als het goed gaat, maar met angst en twijfel als het erop aan komt. In Paulus zien we een gevaarlijk fanatisme dat over lijken kan gaan. Toch zijn beide heren heilig geworden. Zowel Petrus als Paulus hebben een ontmoeting met Jezus na diens dood en opstanding gehad. En die ontmoeting heeft alles veranderd. In Petrus kunnen we zien dat er vergeving is voor onze twijfels en angsten, voor het niet waarmaken van onze eigen verwachtingen. Paulus komt tot de ontdekking dat zijn religieuze fanatisme God zelf geweld aandoet. In plaats van de hoge woorden en mooie beloftes van Petrus komt de vraag van Jezus: Heb je mij lief? Dan volgt de opdracht: Hoed dan mijn schapen. Paulus laat zijn eigen overtuigingen varen en komt tot een geloof dat hij zelf dwaasheid noemt. Ondanks alles wat hij heeft geleden, en hij noemt het in de tweede lezing, hard werken, gevangenschap, lijfstraffen, schipbreuk, steniging, honger, dorst, slapeloosheid, verkleumen zonder kleren, toch is dat niet waar hij op wil roemen. Het zijn niet zijn eigen prestatie die zijn verkondiging waar maken. Als hij zich op iets wil laten voorstaan, dan is het zijn zwakheid. In feite is dat waar het bij beide heiligen omgaat, hun zwakheid. Zolang ze op hun eigen kracht vertrouwden, op hun eigen opvattingen, gingen ze tegen God in. Liet Petrus God vallen als het erop aankwam. Paulus vervolgde God zelfs. Pas wanneer wanneer ze zelf zwak werden, kon Gods kracht zichtbaar worden.

We kunnen het vergelijken met geloof van mensen van vandaag,. Zolang het ons goed gaat, hebben we God niet nodig, gaan we onze eigen weg. Pas wanneer we tegenover grote problemen staan, wanneer we het zelf niet meer kunnen redden, dan wordt Gods kracht zichtbaar. Zolang we vertrouwen op onze eigen vermogens, ons leven proberen te beheersen, kunnen we niet openstaan voor Gods hand in ons leven. Geven we ons over aan God, erkennen we onze beperkingen, onze zwakheid, dan kan er iets nieuws gaan gebeuren. Kunnen we nieuwe kracht en moed vinden en komen we tot dingen die we nooit hadden durven dromen.

De levens van Petrus en Paulus tonen ons de weg van de gelovige mens, die eerst van zichzelf moet worden afgewend om zich naar God te wenden. Het zijn niet hun heldendaden die ons op de weg naar heiligheid brengen, maar hun zwakheden. In de eigen menselijke zwakheid en beperkingen, kunnen we Gods kracht ontdekken. Dan kunnen we horen wat God echt met ons leven wil, wat God met ons doet. Dan kunnen we leven vanuit zijn liefde en mogen we ons leven heilig noemen.

Preek van Pastoor Remco Robinson

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS