Preek op 17 augustus 2014, zondag van de Kananese vrouw

 

Lezingen: Jesaja 56: 1- 7, Romeinen 11: 13- 24, Matteüs 15: 21- 28

.

Vorige week waarschuwde Martin al dat er voor vandaag een lastig gedeelte uit het evangelie op het rooster staat. Want we kennen Jezus als een toonbeeld van liefde en begrip. Vandaag scheldt hij een vrouw die in nood zit, uit voor een straathond! Ons mooie beeld van Jezus ligt meteen in gruzelementen.

Toch vind ik het een prachtig gedeelte, misschien juist wel om dat scherpe, onbegrijpelijke randje, om het drama dat zich voltrekt in die 7 verzen. Het verloopt allemaal niet zo gladjes als in veel andere genezingsverhalen, daarom intrigeert het me ook wel weer.

We lazen over Jezus en de vrouw uit Kana, Jezus is de grens over gegaan naar het “buitenland”. Wellicht om juist even helemaal niets te hoeven doen.

We lezen en horen steeds weer over conflicten, oorlogen, geweld, de ene groep mensen vindt dat de andere groep minderwaardig is, gevaarlijk, slecht of afgemaakt moet worden. Mensen trekken grenzen op, er is sprake van “wij”, de goeden, en “zij”, de slechten. Helaas maakt het verschil in godsdienstige overtuiging het vaak alleen maar schrijnender.

Zo zijn er oorlogen tussen Oekraïners en Russen,
zo zijn er oorlogen in Iran, zo zitten Yezidi’s op een berg,
zo vechten Koerden voor hun vrijheid,
zo zijn er raketten en bommen in Israël en de Palestijnse gebieden.
Zo zijn er elke dag slachtoffers.

Met hulpgoederen, met politieke druk, met militaire interventie, proberen we de strijd te beslechten. We hopen dat het helpt, we hopen dat er meer slachtoffers worden voorkomen, dat mensen zich weer veilig weten, dat mensen hun leven kunnen opbouwen.
Uiteindelijk gaat het om meer: om het doorbreken van grenzen, om het “wij” en “zij” denken te doorbreken. Om te weten, te geloven en te ervaren dat we allemaal van hetzelfde brood eten. Figuurlijk gesproken dan. Ik denk dat het evangelie gedeelte ons op dat spoor kan zetten.

In Israël bestond altijd al de gedachte dat zij het uitverkoren volk van God waren, maar áltijd ten dienste van de wereld. We lazen het in de profetie.

Het heil is ook voor hen die zich aansluiten. Zichtbaar gemaakt in de heiliging van de sabbat. Ook al is er sprake van een uitverkoren volk, die keuze van God sluit niet andere mensen uit. Uiteindelijk is ieder welkom op de heilige berg, als hij/zij oprecht de Heer zoekt.

Zou de vrouw uit Kana deze tekst kennen en daarom Jezus durven aanspreken?

Ze wil hulp. Ze heeft hulp nodig. Niet eens voor haarzelf, maar voor haar dochter. Ze roept het ook: heb medelijden met mij! Of eigenlijk nog veel sterker: ontferm U over mij!

Aan medelijden heb je niets. Van medelijden word je alleen maar zieker. Ontferming, erbarmen daar gaat het de vrouw om. Ze vraagt om ontferming, omdat ze voor haar dochter het beste wil, omdat ze radeloos is!

Omdat ze zich vastklamt aan iedere strohalm!
Omdat Jezus' roep voor Hem uit gegaan is!
Het om haar dochter gaat!

Misschien is het wel makkelijker om voor een ander op te komen dan voor jezelf. Zeker als het om je kind gaat. Veel artsen in ziekenhuizen kunnen daar, denk ik van meepraten als het om moeders van zieke kinderen gaat. Verstandige artsen hebben daar alle begrip voor.
Liefdevolle moeders en vaders houden vol.

Here, Zoon van David, heb medelijden met mij!
Here, Zoon van David, zij zegt het. Zij gelooft het!
Daar moet Jezus in zijn eigen land, bij zijn eigen volk maar eens om komen!

Dan komt het moeilijkste, het onverteerbare, ik zei het al in het begin van de preek: dan antwoordt Jezus haar met geen woord.

Een hartekreet.
En wat zeggen de discipelen? Ze roept ons na.
Ze hebben blijkbaar het diepe verdriet van deze moeder niet herkend.

En Jezus? Tot zijn discipelen zegt Hij: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël.

Tot nu toe was dat ook zo. Hij was nog niet de grens over gegaan van zijn eigen volk, van zijn eigen opdracht om tot de schapen van Gods eigen kudde te spreken. Hen had Hij terug moeten brengen naar Zijn Vader.

De vrouw houdt vol.

Ze weet dat ze gelijk heeft. Jezus kan haar helpen. Daar is ze van overtuigd. Maar ze moet haar gelijk ook nog zien te krijgen. Dat zijn twee heel verschillende dingen.

Eerlijk gezegd zou ik me kunnen voorstellen dat die vrouw teleurgesteld was afgedropen. Want Jezus zegt nog: het is niet goed het brood voor de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.

Kortom; beste vrouw, voor mij ben je niet meer dan een hond!
Een ordinaire straathond, die je weg kunt sturen!

Ik zou woedend, misschien nog wel eerder teleurgesteld zijn weggegaan. Als Jezus niets voor mij kon doen, kon Hij mij in ieder geval fatsoenlijk behandelen.

Maar zij niet! Gelukkig niet! Deze vrouw pakt Jezus op Zijn woorden.

De honden eten ook van de kruimels die van de tafel vallen.
Heil is er toch genoeg! Heil voor de een hoeft toch niet ten koste van de ander te gaan?

In het volgende hoofdstuk beschrijft Mat. dat precies: de tweede wonderbare spijziging. Brood voor de kinderen van Israël, zeven broodjes voor vierduizend mannen, nog meer vrouwen en kinderen. En er waren zeven korven vol over.

Zie je wel: kruimels genoeg van het heil.

Afgelopen week heb ik een paar hoofdstukken gelezen uit het boek van Rowan Williams, tekens van vertrouwen, met een serie overwegingen bij de artikelen van de geloofsbelijdenis. In de zomermaanden heb je daar wat tijd voor. Hij begint in het eerste hoofdstuk natuurlijk met het eerste artikel: In geloof in God de almachtige Vader. 

Hij schrijft dat God betrouwbaar is, dat we ons aan Hem kunnen toevertrouwen. God is liefde, God is trouw. God is redding en ontferming.

Williams noemt het voorbeeld van Abraham die met God “onderhandelt” over de vernietiging van Sodom en Gomorra. Een prachtig verhaal dat je door merg en been gaat. God wil Sodom en Gomorra vernietigen omdat de stad en de mensen aan zondigheid ten onder gaan.
Abraham komt op voor de wellicht 50, 40, 30 of misschien maar 10 rechtvaardigen. God kan toch niet die rechtvaardigen laten sterven omdat er zoveel onrechtvaardige mensen wonen. Hij kan toch niet de goeden laten lijden onder de kwaden?

Je zou zeggen: God is boos en Abraham probeert hem om te praten. Hem te vleien, tot redelijkheid te laten komen, ter wille van die rechtvaardigen, ter wille ook van zijn neef Lot en dat gezin.

Maar, zo schrijft Williams, zo is het niet. Abraham probeert niet de bokkige God te vleien om toch maar weer genadig te zijn. Abraham spreekt God aan op wie Hij is: namelijk rechtvaardig en genadig. Trouw en liefdevol. Om te laten zien dat God inderdaad de steden zou redden om 10 rechtvaardigen.

De parallel met het gedeelte uit Matteüs ligt voor de hand. Het gaat niet om een bokkige Jezus die geen zin heeft zich in te zetten voor een vrouw van een andere afkomst. En niet over een vrouw die hem moet paaien toch maar haar dochter te genezen.

Dit gedeelte benadrukt dat de kruimels voor alle gelovigen zijn, dat het brood gedeeld moet worden. Dat het heil is voor alle volken.

Je zou kunnen zeggen: het is Gods identiteit om van alle mensen te houden.

Het is Jezus’ eigen weg om aan alle mensen het heil te brengen.

Dat is wie God is. Een almachtige God, daarom kan Hij van alle mensen houden.

Dat is wie Jezus is. Messias, licht voor de wereld. Daarom kan Hij zich over iedereen ontfermen.

En daarom kunnen we ons allen aan Hem toevertrouwen.

Amen.

.

.

Joke Kolkman

 

 

 

 

 

 

 

 

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS