Preek van zondag 4 mei (over Johannes 21)

 

Johannes is toch wel een rasverteller als hij dat laatste hoofdstuk van zijn evangelie schrijft. Want hoe moet je nou vertellen dat je iemand ontmoet, die dood is geweest. Hoe moet je nou vertellen dat er een band is tussen Hem en de gelovi­gen, dwars door de dood heen?

Hoe moet je nou vertellen dat Iemand er is, verschijnt, na de dood, hetzelfde, maar ook weer anders? Hoe vertel je de ervaring dat Iemand, heel dicht bij is, zelfs als je weet dat Hij begraven is.

 

Hoe vertel je nou dat voor de leerlingen van Jezus alles veranderd is met Pasen, voor alle gelovigen trouwens, en dat tegelijk ook heel veel gewoon door gaat? De wereld draait door, ons leven draait door, soms lijkt het als of er met Pasen niets gebeurd is.

Johannes duidt het paasverhaal met dit gedeelte over de verschijning van Jezus.

 

Het is de derde keer dat Jezus zich openbaart aan de discipe­len. Eigenlijk overbodig, na twee keer zouden ze toch eigen­lijk wel overtuigd mogen zijn van de opstanding. Het is de derde keer dat de Heer verschijnt die op de derde dag is opgestaan.

De derde keer, Gods tijd is aangebroken.

 

En dan zijn er zeven mensen bijeen. Zeven, ze vertegenwoordigen de gelovigen. De kerk ziet Jezus verschijnen.

De zeven worden met naam genoemd.

Willen we weten wie er precies wel of niet aanwezig was? Krijgen we nog een overzicht over waar de anderen dan zijn geweest?

Nee, deze zeven worden met naam genoemd, omdat de Heer niet aan anonieme mensen verschijnt. Hij verschijnt aan mensen bij hun naam gekend en geroepen. Zo hebben wij voor de Heer en elkaar een Naam.

 

Verschuilen in de massa is niet mogelijk als de Heer ver­schijnt.

De namen klinken.

Simon Petrus, Thomas, Nathanaël, allemaal mannen met hun eigen verhaal. Hun eigen geloof, ervaringen, twijfel. Vijf met een naam, twee zonder, zeven is voldoende, vijf en twee.

Dat moesten ze op dit plek, precies op die plek nog weten van een vorige keer. Zeven is voldoende, vijf en twee.

 

Ze zitten bij elkaar na Pasen. Het gewone leven heeft weer z'n aanvang genomen. Want gewoner dan in Galilea kan het leven niet zijn.

 

Deze zondag heet: zondag juicht!

Bij deze vrolijke zondag past het Bijbelgedeelte uit het Johannes evangelie prima! De opgestane Heer verschijnt immers! Alle reden om te juichen en te jubelen.

 

Maar het leven heeft ook een andere kant. Op 4 mei ervaren we dat wel erg sterk. Er zijn altijd in de geschiedenis en in een mensenleven ervaringen geweest van verdriet en verlies. Grote gebeurtenissen als oorlogen, maar ook persoonlijke verlieservaringen maken dat mensen niet altijd juichen. Maar soms stil zijn, 2 minuten of langer. Of huilen, schreeuwen, zuchten, wachten….

 

Iets van de moedeloosheid en hopeloosheid brengt de evangelist onder woorden als hij beschrijft hoe de leerlingen van Jezus er aan toe zijn.

 

Ze varen op de zee.

De andere evangelisten noemen het geografisch correct: het meer van Galilea, Johannes noemt het Bijbels correct: de zee.

Het meer van Genezareth klinkt lieflijk, het woord en de vorm doet denken aan een harp.

Maar Johannes noemt het steevast; de zee van Tiberias. Omdat je bij de zee allen maar water ziet, zover het oog kan reiken, daar dreigt verdrinking, chaos, bedreiging. De zee van Tiberi­as, de stad gesticht door de Herodes Antipas en genoemd naar een Romeinse keizer.

Alleen al met het noemen van de plek, roept Johannes een hele wereld vol ervaringen op. Het is het land van zwoegen, van overheersing, van hard werken en nooit ergens komen. Het is de plek waar de vreugde van Pasen verder weg lijkt dan elders.

De tever­geefsheid, de ondergang waarmee de discipelen gecon­fronteerd worden. Terug bij af. Dat is 4 mei.

 

Simon Petrus wil gaan vissen. Simon Petrus is terug bij af.

Terug in Galilea, terug in zijn vissersboot. Van dat vissen van mensen zal wel niets terecht komen. Het lijkt alsof er al die jaren met Jezus niets is gebeurd. Het lijkt dat de opstanding niets veranderd heeft.

Het is nog erger: zijn oude ambacht levert niets meer op.

Ze vangen die nacht helemaal niets.

 

Het is nacht, de normale tijd voor vissers om hun werk te doen.  
Maar wie iets meer gelezen heeft in het evangelie naar Johannes, weet dat Johan­nes meer bedoeld dan de aanduiding van de tijd. Nacht is duisternis, is blind zijn, verblind zijn, is het niet meer zien zitten.

Nacht is duisternis in vele vormen.

 

Voor Petrus zal dat misschien nog sterker gelden dan voor zijn collega’s. Ze zijn terug bij af. Misschien is hun hele avontuur met Jezus hen wel tegengevallen. Maar Petrus is zichzelf ook tegengevallen. Hij zou trouw zijn. Nee, ik laat U niet in de steek. Dan toch… Het was een harde confrontatie met zichzelf. Dat doet pijn.

Hij wordt geconfronteerd met zijn vergeefsheid.

En dat is een beangstigende gedachte.

 

Voor alle mensen.

Veel geploeter, weinig succes. Zoveel mensen ervaren het.

Veel geploeter, weinig succes, in je werk, in je omgaan met ouders of met je partner, met de kinderen of in wat je doet met je tijd.

Persoonlijk en wereldwijd wordt er geploeterd, het lijkt op vissen in de nacht, op de zee. En die nacht vangen we niets.

 

Dan komt Jezus. Van de overkant.

Hij roept de zeven op hetzelfde, vissen, nu eens op een andere wijze te doen. Gooi het net uit aan de andere kant.

Soms horen mensen de oproep; doe hetzelfde eens op een andere manier, en dat kan alle verschil van de wereld maken.

Klinkt er, van iemand, of iets, van de overkant, van Jezus zelf, een stem: gooi het over een andere boeg.

De vissers doen precies hetzelfde: hun netten uit gooien. Maar het maakt alle verschil van de wereld; de netten raken vol.

 

Soms beleven mensen zo'n moment.

Dat Iemand in je leven komt, en het is alsof God zelf, van de andere kant het tegen je zegt: Gooi het net uit op een andere manier.

De tevergeefsheid, de wanhoop, is over.

 

153 vissen zijn gevangen. Heeft het getal een betekenis?

De een zegt van wel, de ander niet. Maar in ieder geval zijn ze geteld. Een voor een, het was ten slotte hun broodwinning, en dan maak je zorgvuldig de kas op.

153 vissen, hoeveel mensen kunnen daar van eten?

Eens waren twee vissen genoeg voor vijfduizend, dus reken maar uit.

 

Het begint morgen te worden.

Vanaf de overkant, klinkt een stem. Voor wie het maar een Naam durft te geven. Het is de Heer.

Het klinkt simpel: de boot heeft ook nog een rechterzijde. Maar met dat beeld geeft Johannes aan: na het niets van mensen, we hebben gezwoegd en niets gevangen, is er ook nog een andere kant. Er zit nog een andere kant aan ons leven.

 

Als gelovige mensen mogen we dat elkaar voorhouden. Dat er meer is dan ons niets, dan ons: we staan met lege handen.

En dan  noemt Johannes de overkant.

­Een overkant die ons op een goede weg zet.

Het wordt reeds morgen, schrijft Johannes.

En daarmee wordt veel gezegd. Gelovige mensen zeggen: Het kan morgen worden in ons leven. Het licht komt vanaf de overkant.

 

 .

.

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS