Preek van 16 maart 2014 (Tweede zondag van de Veertigdagentijd)

Preek over Matteüs 17: 1- 9 en Exodus 24

Tweede zondag van de veertigdagentijd, 16 maart 2014

 

Vorige week lazen we over Jezus in de woestijn,

waar hij verzocht werd door de duivel.

Nu lezen we over Jezus op de berg, waar hij bemoedigd wordt,

 … en misschien ook wel verzocht.

Het zijn de bekende lezingen in de vastentijd.

 

Matteüs is zeer consequent bij het schrijven van zijn evangelie.

Want Jezus is niet gekomen om de wet af te schaffen, maar om de wet te vervullen. Wat Jezus doet, ligt in het verlengde van het geloof van zijn volk.

In Hem is de God van Abraham, van Mozes en Elia op de aarde gekomen.

Zo ziet Matteüs het, zo schrijft Matteüs het.

 

Talloos zijn de verbindingen tussen het gedeelte dat we vandaag lezen en andere gedeelten uit het eerste testament.

De berg natuurlijk, bij uitstek de plek om God te ontmoeten.

De zes dagen die we ook in de lezing uit Exodus tegen komen.

De glans en het licht van Gods tegenwoordigheid.

Mozes en Elia, de vertegenwoordigers van wet en profeten,

daar bij Jezus die het evangelie leeft.

Het onderwerp van gesprek: de exodus, de uittocht uit de dood, naar het leven.

De tent van Gods aanwezigheid, Petrus wil ‘m wel bouwen.

De stem van God uit de hoge, dezelfde woorden als eens gesproken bij de doop in de Jordaan.

Op dit bijzondere moment in Jezus’ leven heeft elk woord dat Matteüs er over schrijft betekenis.

 

In het Vaticaan hangt een schilderij van Rafaël met dit Bijbelgedeelte als onderwerp. Nu kunnen we natuurlijk ons volgende parochie uitje naar Rome organiseren om te gaan kijken, maar daar hebben we vandaag niks aan. Ik zal u vertellen wat mij zo aanspreekt.  Wellicht kunnen we dan een verband leggen tussen dit evangelie gedeelte en ons leven nu.

 

We zien Jezus, boven op de berg, een beetje zwevend.

Jezus in heerlijkheid, de 3 aanwezige discipelen hebben alvast een glimp op mogen vangen van het nieuwe leven. Van zijn overwinning op de dood.

Jezus houdt zijn armen gespreid,  het gebaar van de kruisiging.

Dood en leven, hier in één gebaar, in één moment. Lijden en opstanding, neergedaald ter helle en opgestaan op de derde dag, allemaal hier: op de berg.

Want het hoort bij elkaar.

Het één kan niet zonder het ander.

“Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf.

Maar als ze sterft, brengt ze veel vruchten voort”.

 

Daarom wordt Petrus ook terecht gewezen als hij aanbiedt een tent op te zetten. Petrus was een beetje dom, hij had het niet goed begrepen.

Het één kan niet zonder het ander. 

Hoe tegenstrijdig het ook klinkt:

het Koninkrijk van God komt er niet dan via het kruis en het graf.

Jezus zweeft hier op de berg, zijn gelaat glanst,

hij straalt Gods licht, maar zijn armen laten het kruis zien.

 

Mozes en Elia zijn er, de twee mensen die wet en profeten vertegenwoordigen. De twee mensen van wie wordt gezegd dat er geen graf van hen is gevonden. Zij zijn opgenomen in de hemel. Ze hebben de wet en het boek van de profeten in hun handen. Dat brengen ze mee als ze Jezus bemoedigen.

Sommige mensen zeggen dat dit een voorbeeld is van reïncarnatie, een aanwijzing dat het geloof in reïncarnatie oude papieren heeft.

Anderen zeggen dat dit een wonder is van God, Hij kan mensen doen opstaan en laten verschijnen want Hij is immers almachtig.

In elk geval laat deze verschijning van Mozes en Elia zien dat uiteindelijk de grens tussen leven en dood relatief is.

Dan kan, wie dood is naar natuurlijke maatstaven, toch leven voor God.

Als de dokter constateert dat het hart is gestopt met kloppen, houden we in Gods Naam vol: maar hij of zij leeft nog!

Ze zijn er nog! De gelovigen zijn er nog, in Gods Naam!

 

Op het schilderij liggen de 3 discipelen op de berg, alleen Petrus kijkt naar Jezus. Hij is ook de enige die later verslag zal doen van dit bijzonder moment.

In zijn tweede brief komt Petrus erop terug. De andere twee discipelen keren zich af, ze kunnen niet kijken, durven niet te kijken. Gods aanwezigheid is te groot, te groots, zoveel licht kunnen we niet aan.

 

Onder aan de berg zijn de 9 andere discipelen geschilderd.

Ze hebben het druk,

tevergeefs proberen ze een jongen te genezen die aan epilepsie lijdt.

De familie van de jongen probeert wanhopig de aandacht te trekken, genezing af te dwingen. Hulp te zoeken, hoop te zoeken.

De moeder van de jongen doet dat op de klassieke manier: ze trekt haar bloesje wat verder naar beneden. De vader houdt de jongen vast om hem voor verwondingen te beschermen. Ze hopen op een wonder.

De discipelen kunnen hen niet helpen.

 

Nu wordt het spannend.

Boven op de berg gebeurt er iets prachtigs!

De drie leerlingen krijgen een kijkje in de hemel.

Ze zouden we wel altijd willen blijven: zullen we hier een tent neer zetten?  

 

Sommige gelovigen hebben het ook graag over de hemel, of over God, of over het Koninkrijk, over later…..

Hun geloof heeft te maken met de hemel, met een andere orde dan de tijd waarin we nu leven. Dit is slechts een tijdelijk huis, maar later.. dan hebben we een eeuwige woning. Dat zeggen ze, en het klinkt vroom.

Ze nemen daarmee afstand van het gewone leven met alle uitdagingen, alle pijn en alle onrecht. Het gaat immers om later, om het leven na dit leven. Dus probeer maar geduld te hebben.

 

Geloven doe je in de kerk, zeggen anderen, geloven doe je op zondag. Dan hoor je verhalen van boven op de berg. Dan krijg je een kijkje in het Koninkrijk. Dan wordt het verlangen gevoed naar het hemels Jeruzalem.

Maar, zo zeggen deze mensen, op maandag moet je weer gewoon je werk doen, door de week gelden andere regels, dan is: al te goed is buurmans gek. Dan moet je voor jezelf opkomen, want een ander doet het niet.  Dan sta je met beide benen weer in de modder van het dagelijks leven. En zie maar dat je je staande houdt.

 

Jezus blijft niet boven op de berg, hij moet weer naar beneden. Want daar wacht een jongen op genezing, daar wacht een familie op hulp, daar wachten de leerlingen die niet zonder Hem kunnen.

 

De verhalen van boven op de berg, de verhalen van Gods nabijheid, van de wet en de profeten, van het koninkrijk, van uitzicht, van nieuw leven, die verhalen hebben van alles te maken met die jongen die op Jezus wacht.

De verhalen van de kerk en van de zondag, hebben van alles te maken met wat we morgen doen.

We lezen vandaag over de verheerlijking, de gedaante verandering op de berg.

En de schilder Rafaël heeft ons bepaald bij de spanning tussen boven en onder. Als wij vandaag met de leerlingen een glimp mochten opvangen van het Koninkrijk, wie wacht er dan buiten op ons?

Wie heeft onze hulp nodig?

 Welke vragen komen op ons af?

Welke keuzes hebben wij dan te maken?

Geloven doe je in de kerk, zeggen ze wel eens.

De mensen die dat zeggen, hebben het verkeerd begrepen.

Geloven doen we onder aan de berg, morgen op maandag en de dagen die komen. Geloven doen we als er een beroep op ons wordt gedaan.

Om te helpen, om barmhartig te zijn.

Om lief te hebben, een luisterend oor te bidden.

Om er te zijn voor wie gewond is naar lichaam of geest.

Om voor mensen op te komen die het zelf niet meer kunnen.

Als mensen vragen, misschien zonder woorden, voor ons te bidden.

 

In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

 

 

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS