H. MichaŽl en alle engelen (29 september 2013)

Op deze dag van St Michaël en alle andere engelen, nemen we drie kijkjes in de hemel. Bij de lezing uit openbaring hoort de icoon die ik vorig jaar heb gekregen bij mijn diakenwijding van de parochie in Rotterdam. Een plaatje bij de belofte dat de draak, de duivel, de zonde, eens verslagen zal worden. En God het kwaad heeft overwonnen. Deze icoon staat hier op het altaar.

De Jakobsladder staat op het eerste plaatje waarover we lazen. Bij het weerbericht worden de stralen van de zon zo genoemd, die stralen die zo als strepen uit de lucht komen en de aarde raken. Je kunt je zo voorstellen dat je er op naar boven kunt klimmen. Een jakobsladder naar aanleiding van dit gedeelte uit Genesis 28.

Jakob en zijn broer Esau spelen beiden een eigen rol in de geschiedenis van Israël. Ze worden in het boek Genesis tegenover elkaar gezet. Esau, de oudste, vertegenwoordigt de gojim, de heidenen, hij gelooft niet in een belofte, hij gelooft in wat hij ziet en hoort. Hij kent geen ander begin dan zijn geboorte en geen ander einde dan zijn dood. En daartussen… moet hij er maar iets van zien te maken.

Jakob beeldt de ware Israëliet uit. Hij is een bedrieger, hij maakt er een potje van, maar toch heeft hij weet van Gods stem die roept. Hij weet van beloftes. Hij weet van eerstgeboorterecht en de daarbij behorende opdracht een zegen te zijn voor de wereld.

Als Jakob zijn oude vader heeft bedrogen en Esau zo de zegen heeft ontnomen, moet hij vluchten voor zijn broer. Met de opdracht een vrouw te zoeken binnen de eigen kring gaat hij de woestijn is. Jakob heeft grenzen overschreden, dingen gedaan die niet door de beugel kunnen, nu gaat hij gedwongen grenzen over. Hij moet naar een ander land, hij moet naar het land waar vandaan Abraham juist geroepen is.  

Ongetwijfeld is het een bange Jakob die zijn slaapplaats zoekt, waar zal hij terecht komen? Komt hij hier in het beloofde land nog eens terug? Zou hij zijn moeder nog eens terugzien?

Zou God weer terug bij af zijn? Abraham werd ooit geroepen uit Haran, met de belofte van een nieuw land, een nieuw begin en een heel volk als nakomelingschap. Jakob gaat weer terug, een roemloos einde van wat eerst zo hoopvol leek?

De zon gaat onder. Dat is meer dan een tijdsaanduiding. De zon gaat onder over het bedrog van Jakob, de zon gaat onder over de vlucht van Jakob, over de reis naar Haran, terug naar waar hij vandaan kwam. De zon gaat onder over de breuk met zijn broer.
Pas in hoofdstuk 32, na het gevecht met de engel aan de Jabbok, als hij Esau weer in de ogen kan kijken, dan pas, jaren later, staat er dan de zon weer over hem opkomt. Er moet nog heel wat water door de Jabbok stromen voordat hij echt de naam “Israël” mag dragen, maar het zal er ooit van komen.

Jakob slaapt, en zie, een ladder neergesteld op de aarde, de top reikt aan de hemel. In al die hoofdstukken hiervoor waren de mensen druk bezig de zaken te regelen: Isaäk om zijn nalatenschap te regelen, moeder Rebekka om te zorgen dat de zegen bij haar lievelingszoon terecht zou komen, Esau om een bokje te schieten, Jakob om op zijn broer te lijken. Van God hoorden we niet zoveel.

Vanuit de hemel wordt de ladder op de aarde gesteld. Andersom gaat niet, wij kunnen geen ladder tegen de hemel aanzetten. Ze hebben het ooit geprobeerd in Babel, dat project mislukte. Vanuit de hemel komt de ladder. God verbindt hemel en aarde met elkaar. Op die ladder gaan de engelen.

Let op de volgorde; de engelen gaan omhoog en omlaag. Je zou het andersom verwachten. Maar ze gaan vanaf de aarde naar de hemel. Ze nemen mee naar boven: Jakobs angst voor zijn broer, zijn schuldgevoel, zijn schaamte, zijn verdriet om wat hij verloren heeft. Zijn onzekerheid voor wat komen gaat.

We zeggen dan: engelen zijn boodschappers van God. In dit verhaal zijn het boodschappers voor God. Het is geen eenrichtingverkeer.
Zij brengen onze menselijke schuld, ons verdriet, onze onzekerheid en onze angst omhoog. Afdalend nemen ze Gods belofte mee: Ik ben de God van Abraham, van Isaäk, en ook van jou Jakob. Dit land zal ik aan jou en aan jouw kinderen geven. Ik zal je bewaren en laten terug keren naar dit land.

Zo staat deze nacht aan het begin van zijn vlucht naar Haran, in het teken van de terugkeer. In het teken van de toekomst. Dit belijdt Jakob als hij zegt: dit is een plek om God te ontmoeten, een poort naar de hemel.

Gelovigen, uitverkorenen, gaan nooit zonder hoop. Zij, wij zijn soms op de vlucht, soms zijn we angstig, voelen we ons alleen, vragen we ons af of alles voor niks is geweest. Maar dwars door alles heen gaan we verder met hoop.

De zon gaat altijd weer over ons op. De engelen brengen ons die troost van God over. Was het ook niet een engel die bij het geopende graf, bij het ochtendgloren, toen de zon net op kwam, tegen de vrouwen zei; de dood heeft niet het laatst woord. Het leven heeft gewonnen. Jezus is opgestaan.

De Jakobsladder komen we behalve in het weerbericht ook tegen in de verzen uit het Johannesevangelie. In zijn eerste hoofdstuk beschrijft de evangelist onder andere de roeping van verschillende discipelen. Natanaël hoort daar ook bij. “Dit is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog”.

Natanaël is blijkbaar een Israëliet zoals je dat mag verwachten van Gods volk. Dat is niet vanzelfsprekend, en hoeft tegelijk geen uitzondering te zijn. Natanaël is een mens zonder bedrog. Wat is een volk gezegend, wat is een land gezegend met zulke mensen. Jezus verwijst hiermee naar Jakob, de bedrieger, de eerste man die de naam Israëliet mocht dragen.

Dan is het beeld van die Jakobsladder weer heel dichtbij.
Jullie, zegt Jezus tegen zijn net nieuw geroepen discipelen, zullen de hemel geopend zien en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon. Jullie zullen zien wat Jakob heeft gedroomd: namelijk dat de hemel open gaat. Let op; dezelfde volgorde; de engelen gaan eerst omhoog en daarna naar beneden.
Jullie zullen zien wat Jakob heeft gedroomd. Jakob mocht een kijkje in de hemel nemen, daarna moest hij door reizen naar zijn oom Laban in Haran. Het was een droom, één nacht, die hem altijd moed heeft geschonken.

Nu, zegt Jezus, is het geen droom meer. De hemel is open gegaan, en blijft open. Midden in de winternacht ging de hemel open… de Zoon opent de hemel, voor al die dingen die wij voor God neer leggen; onze pijnlijke herinneringen, de mislukkingen, onze schuld, onze angst, ons falen, ons bedrog en noem maar op. De engelen dragen het voor Gods troon.

En wat ze terug meenemen? Uit de hemel naar de aarde; een kind, teken van Gods liefde en trouw. Een kind dat het Koninkrijk van God brengt. Een Zoon die geboren wordt, en de dood overwint. De Mensenzoon, zoals Jezus zichzelf hier noemt. Daarom leven gelovige mensen nooit zonder hoop.

 

 

 .

.

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS