Preek bij Lucas 9 vanaf vers 18 op zondag 23 juni 2013

 

We zijn in hoofdstuk 9 aanbeland bij een bijzonder moment in het evangelie naar Lucas. Dat blijkt uit wat er staat, en uit wat er niet staat.

Er staat niet waar we zijn, als Jezus alleen is met zijn discipelen. Daarvoor trok Hij rond in Galilea, rondom het meer van Genezareth ook wel het meer van Tiberias genoemd. Daar vond de spijziging van de 5000 plaats, daar werden zieken genezen, daar hoorden armen het evangelie, daar werden doden opgewekt. Jezus doet zijn “werk” als Messias, als Zoon van God toont Hij Gods liefde aan de mensen. In woord en daad.

Mensen volgen Hem, allereerst zijn discipelen, dan de vrouwen waar ik het vorige week over had, maar ongetwijfeld nog veel meer mensen, de schare zonder herder, worden ze wel genoemd.

In het gedeelte dat hierop volgt, het gaat om de gedaante verandering op de berg, wordt vermeld dat Jezus op weg gaat naar Jeruzalem. En we weten allemaal dat het geen geografische aanduiding is. Lucas geeft geen reisboeken uit. Jezus gaat naar Jeruzalem omdat zijn weg naar het lijden gaat, naar het verraad door Judas, naar het kruis op Golgotha, naar het graf in de hof. Dat is de weg die Lucas beschrijft.

In hoofdstuk 9 vers 18 is Jezus daar ergens tussen in. Tussen Galilea en Jeruzalem in.

Het rondtrekken in de redelijke veilige omgeving van Galilea wordt nu een rechte weg naar het lijden in Jeruzalem.
Je zou kunnen zeggen; tot nu toe ging het aardig goed, de mensen waren onder de indruk. Hij had volgelingen, bewonderaard wellicht. Maar nu is hij op het punt dat de donkere wolken zich samentrekken, dat er mensen zijn die op Hem willen ombrengen, dat Hij gedood zal worden. Het is een omslagpunt, juist omdat Lucas hier geen plaatsnaam vermeld.

Lucas vermeldt wel dat Jezus alleen in gebed is. Het zal wel, Jezus zal wel vaker hebben gebeden, dat heeft Lucas niet altijd bijgehouden. Maar als Lucas het wel noemt, dat is er iets bijzonders aan de hand. Beter gezegd; dat staat er iets bijzonders te gebeuren. Bij zijn doop heeft Jezus langdurig gebeden. Bij de roeping van de discipelen heeft Hij zijn Vader om bijstand gebeden. Bij de verleiding dat de mensen Hem koning zouden maken, heeft Hij gebeden. En nu dus weer. Nu Hij langzaam maar gestaag op weg gaat naar Jeruzalem. Er zal veel van Hem gevraagd worden. Daarom bidt Hij eerst.

Er zal veel van de discipelen, van zijn volgelingen gevraagd worden, daarom bidt Hij eerst.

Dan komt de vraag: wie ben ik, wie zeggen de mensen dat ik ben?

Het is slechts een inleidende vraag. De antwoorden zijn al eerder gegeven. De mensen denken dat U de terug gekomen Elia bent, of een nieuwe Mozes, Johannes de Doper of een andere bekende profeet. We voelen allemaal aan dat het antwoord niet zo belangrijk is, uiteindelijk weet Jezus zelf ook wel hoe mensen over Hem denken. ‘

De vraag aan ons: Wie zeggen de mensen dat Jezus is? We kunnen verwijzen naar Bijbelverhalen, welke kiezen we? We kunnen verwijzen naar de belijdenis van de kerk, Jezus licht uit licht, waarachtige God uit de waarachtige God, waarlijk mens en waarlijk God.

Woorden die ons uit de traditie worden aangereikt, misschien zijn het wel dierbare woorden geworden.  Maar uiteindelijk is dat niet het antwoord op de vraag die werkelijk gesteld moet worden.

Wie zeg jij, wie zegt u dat ik ben?

Christus van God! Een belijdenis, niet uit het hoofd geleerd, maar rechtstreeks uit het hart.

En zo komt het eerste deel van Jezus’ werk in Galilea tot een prachtige afsluiting. Hij was begonnen in de synagoge, had de boekrol gepakt en had gelezen over de gezondene van God. Heden is het Schriftwoord vervuld! Ik ben de Messias, de Christus, van God gezonden. Zo is het begonnen in Galilea.

En nu rondt Hij zijn werkzaamheden af; Petrus en de discipelen met hem, hebben het ontdekt: Christus van God gezonden!

Het ligt erg voor de hand om nu aan elkaar te vragen; wie is Christus, voor jou, voor u, voor mij? Een voor de hand liggende vraag, maar wel een vraag die gesteld moet worden, omdat het antwoord niet, nooit voor de hand kan liggen. Wat zeggen de mensen? Dat is gemakkelijk. Men vindt… ik heb gehoord dat… de traditie zegt…

Ik geloof dat… en dan gaan we stotteren, en terecht.
Een antwoord uit het hart ligt nooit voor op de tong.

Misschien is dat wel het mooiste van ons geloof. Dat we antwoord geven op die vraag: wie is Jezus voor ons. Geloof is niet dat we aansluiten bij de traditie, hoewel wij als OK- kerk die traditie hoog in het vaandel hebben staan. Geloven is niet het antwoord van andere mensen geven. Of van een geloofsbelijdenis. Hoewel we die elke week zingen. Geloven is niet het uit het hoofd leren van goede antwoorden. Het citeren van Bijbelteksten, hoewel Petrus door teksten te vergelijken met zijn eigen ervaringen, niets anders kan zeggen dan: U bent de beloofde Messias.

Uiteindelijk heeft geloof met ons hart te maken, met de relatie die wij met God hebben. Met wat Jezus in ons leven kan betekent. Geloof is uiteindelijk van onszelf, ons binnenste, waar we misschien soms hakkelend, dan weer vol overtuiging over kunnen spreken. Maar nooit gemakkelijk over zullen praten.

De zondag van de zelfverloochening, is het vandaag. Zelfverloochening klinkt ouderwets. Suggereert dat we ons moeten opofferen, dat alles en iedereen vóór gaat, ten koste van onszelf. Zelfverloochening gaat in tegen alles wat we nu als verworvenheden beschouwen, namelijk de overtuiging dat je voor jezelf mag opkomen, dat je je grenzen bewaakt, dat je jezelf moet liefhebben voordat je een ander kunt liefhebben. Dat je pas gelukkig in het leven kunt staan en een evenwichtig mens kunt worden als je jezelf in liefde accepteert en waardeert. Deze psychologische inzichten blijven staan.

En de gelovigen mensen zeggen dan; er is nog meer, nog een stapje verder, een levende relatie met mijn Heer, de Christus. Dat vraagt moed om je toe te vertrouwen, geloof in wat niet bewezen kan worden, inzicht in wie je bent en wat God voor je is, het opgeven van je eigen zekerheden, het doorbreken van schijnveiligheid. U bent de Christus van God!

Dat is de zelfverloochening.
Dat is niet over je heen laten lopen, dat is de moed hebben om Jezus weg te gaan.

Het zal niet gemakkelijk zijn.

Jezus zegt dat hij overgeleverd zal worden. En als je iemand volgt die overgeleverd zal worden, is dat nooit vrijblijvend.  Als je iemand volgt, die zijn leven geeft voor de mensen, dan is dat nooit zonder iets te geven, iets op te geven.

Kruis dragen, leven verliezen, zichzelf verloochenen, grote woorden, die cirkelen om dat geheim van geloof. Maar even groot zijn de woorden “aan de andere kant” wij zullen uiteindelijk onszelf vinden. Onze God vinden, het Koninkrijk van God zien.

Het heeft ook met zelfverloochening te maken dat we met minder geen genoegen nemen. Kruis dragen, jezelf durven geven omwille van het evangelie, dat hoort erbij.

Maar het graf overwinnen, onszelf vinden en ervaren dat we door God gevonden worden, dat is de belofte.

In de Naam van Vader, en de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

.

.

.

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS