Preek n.a.v. Sacramentsdag, bij Lucas 9:10-17 (zondag 2 juni 2013)

Als wij nu eens met ogen van rijke mensen, dit gedeelte uit het Lucas evangelie lezen dan leren we dat we moeten delen met elkaar.

Samen delen is het kernwoord van dit Bijbelgedeelte, als je deelt van wat er voor handen is, blijkt er voor iedereen genoeg te zijn. Allerlei hulpverleningsorganisaties houden het ons voor: als we alles eerlijk zouden verdelen, is er voor iedereen op de wereld genoeg. Maar nu hebben we in West Europa overvloed, en leven mensen in Afrika met honger.

Natuurlijk, ik weet het, de crises, ook mensen in Nederland of andere landen van Europa kunnen soms niet betalen wat ze nodig hebben. Maar in het algemeen…

We zijn een welvarend land.

En dus dragen we verantwoordelijkheid voor anderen.

Samen delen, brood en vis, de basisbehoefte van elk mens, eten en drinken, dat is de beste oplossing voor de noden van onze naasten.

Zoals we met de Pinksterlunch hebben gedaan, eten delen met elkaar, en tegelijk delen met de tienermoeders in Mozambique. Want de eucharistie heeft te maken met wat wij doen voor de tienermoeders.

Als we vandaag dit Bijbelgedeelte lezen, over het delen van brood en vis, dan kan het niet anders of we worden weer geïnspireerd om te doen wat Jezus heeft gedaan: de hongerige voeden. Op welke wijze dan ook, binnen al onze mogelijkheden.

Als we Jezus Christus willen volgen, kunnen we niet zeggen: ga heen, eet en drink, zonder met hem te delen. We kunnen niet zeggen: ga heen en word warm, als we haar geen jas geven. Geef gij hun te eten; een basisopdracht voor elke christen!

 

Geef gij hun te eten, een oproep aan de basis van de eucharistie viering, als God ons te eten geeft, als God met ons zijn Zoon deelt, hoe zouden we dan niet met elkaar delen, brood en wijn. En als we in de kerk brood en wijn delen, hoe zouden we dan niet morgen, overmorgen, brood en vis met elkaar delen.

Als wat we hier doen, alleen een ritueel en vroom gebaar is, dan heeft het geen betekenis, hier in de kring klinkt met nadruk de opdracht: Geef gij hen te eten.

 

Als wij nu eens lezen door de ogen van de discipelen?

We komen terug bij Jezus na een moeizame tocht.

We waren er twee aan twee op uit gezonden.

Er was van alles gebeurd onder­weg en dat wilden we graag met Jezus bespreken. Verslag uitbrengen, evalueren, en even bij komen.

Waarbij we bedenken dat Jezus ook wel aan rust toe is.

Ook Hij heeft het zwaar met de confrontatie met Herodes.

Die man heeft Johannes de Doper al omgebracht en wat zal hij verder nog van plan zijn?

Als we discipelen zijn, dan zien we steeds weer mensen die naar Jezus komen. Om genezing te vinden. Altijd weer zijn ze naar Hem op zoek. Altijd opnieuw, de mensen, zoekend als een kudde zonder Herder.

En ondanks alles doen we zo goed mogelijk onze taak rondom Jezus. Als discipelen blijven we volhouden. Als Jezus leerlin­gen doen we wat we kunnen voor de mensen die Jezus zoeken.

We doen wat we kunnen, binnen het redelijke.

Want als de avond valt, het wordt donker, dan zijn we zorgzaam en proberen de mensen zover te krijgen dat ze zichzelf van het nodige voorzien.

 

Als wij de discipelen zouden zijn, dan kan niemand toch meer van ons verwachten dan wat in onze mogelijkheden ligt?

Je kunt nu eenmaal geen ijzer met handen breken. Uiteindelijk moeten de mensen het zelf doen. Je kunt niet de hele wereld op je schouders nemen, zelfs niet vijfduizend man.

Je doet wat je kunt, maar ergens houdt het op. En wel als de avond valt en al die mensen nog iets te eten moeten hebben. Je moet reëel zijn.

 

Als christenen hebben we onszelf en elkaar niets te verwijten als we tegen de avond zouden zeggen: Jezus, stuur die mensen maar naar huis. Ze moeten immers eten en dat moeten ze zelf regelen. Ook christenen moeten in de gaten houden waar het ophoudt, waar onze grenzen liggen. Je naaste liefhebben, prima! Maar soms moet je mensen zelf verantwoordelijk maken voor hun problemen.

En… lees ik nu in dit gedeelte: soms moet je verder gaan. Soms zie je door Jezus’ ogen dat de mensen je nodig hebben. Soms moet je doorgaan, in Gods Naam, al ben je moe, al is het meer dan het redelijke. Soms moet je, mag je doorgaan tot het wonder. 5000 mensen te eten geven, ondoenlijk, en toch… Als gelovige maak je soms mee wat niet voor mogelijk werd gehouden.

 

Als we nu eens hongerige mensen waren?

Honger naar brood, honger naar leven?

Honger naar de gemeenschap met onze Heer?

 

Als wij nu eens zijn als die vijfduizend arme mensen?

Als we nu eens met lege handen zouden staan?

Als we nu eens afhankelijk van anderen zouden zijn?

Want het is niet uit overvloed dat we bij elkaar zitten, het is laat geworden en er is geen eten. Al zouden we naar huis gaan, dan is het nog maar de vraag of de kast er vol ligt. We zijn immers als de schapen zonder herder. De schare, altijd op zoek naar….. heil, leven, toekomst, hoop. En dat verlangen is niet geboren uit luxe.

 

Als we nu eens bij elkaar zaten, en tegen elkaar zeiden hoe weinig we te delen hebben? Hoe leeg onze zakken, onze handen en onze harten soms zijn?

 

Van onze overvloed delen, kan moeilijk zijn. Van onze armoede delen nog veel moeilijker. Want het zou een wonder zijn als we van onze armoede zouden delen. Wie durft te zeggen wat hij of zij allemaal niet heeft?

Geen brood, maar heel weinig geloof, maar zo bitter weinig vertrouwen. Zo weinig zelfvertrouwen, door de schijn heen, een zo armoedig bestaan.

 

Onze overvloed kunnen we delen, maar onze tekorten, kunnen we die ook met elkaar delen?

Is dat ook niet wat we belijden voor de communie;

Heer, ik ben niet waardig,

Heer, ik sta met lege handen, ik sta soms met een leeg hart.

En toch.. hoop ik, verlang ik, geloof ik…

 

Spreek slechts één woord en ik zal gezond worden.

In dit bijbelgedeelte uit Lucas lezen we van het wonder, omdat de mensen bij elkaar gaan zitten, de schare waarover Jezus met ontferming bewogen is.

Al die mensen die het allemaal niet zo precies weten, de mensen die ziek zijn, twijfelen, onderaan de maatschappelijke ladder staan, al die mensen op zoek, en ze durven het toe te geven, al die mensen gaan zitten.

En dan gebeurt het.

Wat precies, heeft Jezus het brood vermenigvuldigt? Van 5 broodjes 5000 broodjes gemaakt? Dat zou een wonder zijn.

Hebben alle mensen wat ze bij zich hadden in het midden gelegd om te delen? Misschien zou dat wonder nog wel groter zijn.

 

Als je elkaar je armoede durft laten zien, je beperkte voorraad, je kwetsbaarheid, je onvermogen. Als je in de kring van vijfduizend durft te gaan zitten en zo laat zien dat je niets hebt meegebracht. Dat je met lege handen staat, een leeg hart.

 

Toegeven dat je tot die schare behoort, waarover Jezus met ontferming bewogen is.

 

En dan?

We lezen uit de Schrift dat Jezus zijn ogen opslaat naar de hemel. Dat is dan precies wat we hebben te doen. Onze ogen opslaan naar de hemel. Zoeken naar genade uit de hoge.

Zoeken naar een zegen.

Het zijn maar een paar eenvoudige broodjes, en een paar kleine visjes. Het is zo weinig wat die hele schare inbrengt. Maar als Jezus zijn ogen op slaat naar de hemel, Gods zegen erover uitspreekt, dan blijkt het ruim voldoende te zijn.

Het kleinste beetje, blijkt ruim voldoende te zijn als Gods zegen erover wordt uitgesproken. Dan is het opeens niet meer onbetekenend, maar dan is het een rijke overvloed.

 

We bidden: het werk van onze handen, bevestig dat. Dan zullen we overvloed zien.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

 

 

.

.

Joke Kolkman

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS