Preek over Lucas 15 vanaf vers 11

Gelijkenis van de 'verloren' zoon...

Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar Jezus te luisteren. Maar zowel de Schriftgeleerden als de Farizeeën zeiden morrend tegen elkaar: Die man, Jezus dus,  ontvangt zondaars en eet met hen.

Dit is de inleiding op de 3 zeer bekende gelijkenissen over het verlorene, over de zorg voor het verlorenen, over het gevondene. Vandaag lazen we de 3e gelijkenis over de vader met de 2 zonen.

Met deze inleiding over de tollenaars en zondaars aan de ene kant en de Farizeeërs aan de andere kant is het verleidelijk deze gelijkenis meteen in te vullen. De jongste zoon staat voor de zondaars die zich bekeren en van harte welkom worden geheten door God, de Vader, en de Farizeeën lijken op die oudste zoon, die door afgunst zichzelf het feest ontzegt. Hij kan het niet hebben dat zijn jongere broer bij zijn Vader aan tafel zit. Zoals de Farizeeën en Schriftgeleerden morren over wie bij Jezus aan tafel zit.

Maar er is nog zoveel meer over deze gelijkenis te zeggen.

Iemand had twee zonen. Er zijn twee broers.

Zoals eens Kaïn en Abel, Jakob en Esau, Ismaël en Isaäk.

Op de één of andere manier lijkt de jongste vaak een streepje voor te hebben, niet dat die jongste altijd beter is, of vromer, denk maar aan Jakob, maar toch…God kiest niet automatisch voor de oudste, de sterkste, de stoerste, de belangrijkste of de beste.

De jongste zoon gaat naar zijn vader en vraagt zijn deel van het bezit waar hij recht op heeft.  De vader verdeelt het bezit onder zijn twee zonen. Ook zijn oudste zoon, die er niet om heeft gevraagd, krijgt zijn deel.

Wat een gebaar van de vader!

Hij is de baas, hij almachtig, hij had kunnen weigeren, hij had zijn zoon kunnen verbieden te vertrekken. Hij had zijn zoon uit de kroeg kunnen laten ophalen, hem streng straffen bij thuiskomst, of zijn oudste zoon dwingen mee feest te vieren.

Hij doet het niet.

Wat hij doet, doet hij in liefde, en dat maakt hem nu juist onmachtig. Hij wil zijn zoon laten gaan, hij wil zijn zoon de vrijheid geven het geld te verbrassen, hij wil de oudste de vrijheid geven zelf een keuze te maken. Zijn liefde voor zijn kinderen maakt hem tegelijk kwetsbaar.

Almacht en onmacht worden in evenwicht gehouden door de liefde van de Vader voor de kinderen. Alleen op deze manier kunnen we het woord “almacht” gebruiken in combinatie met liefde.

De jongste zoon gaat op pad. De oudste blijft thuis.

Een verschil in karakter? Er zijn mensen die er graag op uit trekken, mensen die de wijde wereld willen verkennen, mensen die naar vrijheid snakken en het geluk ergens anders denken te vinden. En er zijn anderen die liever in de vertrouwde omgeving blijven, want je weet wat je hebt.

De jongste gaat op pad en verkwist al zijn geld. De oudste zoon suggereert later dat hij het bij de hoeren heeft achtergelaten, maar in de gelijkenis staat het vrij neutraal omschreven: hij verliest al zijn geld.

En hij verliest zichzelf, dat is misschien nog wel erger. Hij verliest zich zelf als hij bij de varkens zit, de onreine dieren, die van de peulen van de Johannesbroodboom mogen eten, en hij krijgt niets. Als Joodse jongen zit hij bij de varkens, wie ben je dan nog? Waar geloof je dan nog in? Waar haal je dan kracht vandaan? Wat ben je zelf nog waard met een lege portemonnee?

Hij denkt na, denkt terug aan zijn vader, je zou kunnen zeggen: een innerlijke bekering, die gevolgd wordt door een concrete stap: hij gaat terug. Moedig aan de ene kant, ingegeven door de wil tot overleven aan de andere kant. Het is geen hoogverheven gedachte, geen diepe ervaring, het verlangen zijn buikje weer eens rond te kunnen eten, is een belangrijke drijfveer. Zo hoog verheven is het allemaal niet.

Zijn vader staat op de uitkijk. De meest ontroerende woorden uit deze gelijkenis. De vader ziet hem in de verte al aankomen. Een commentaar schreef; de vader heeft zich bij wijze van spreken een longontsteking op de hals gehaald om op die jongen te wachten. Hij gedraagt zich niet zoals je misschien van een oudere, rijke, oosterse man zou verwachten. Want die rennen niet. Maar een liefhebbende vader wel.

Dorothee Sölle heeft een mooi verhaal over deze gelijkenis geschreven.

Zij zegt: er zijn drie bewegingen, en alle drie bewegingen komen samen, en alle drie bewegingen komen tot het Koninkrijk. Alle drie bewegingen zijn nodig om het Koninkrijk van God waar te maken.

We beginnen met de bekering van de jongste zoon. Er zijn mensen die zich bekeren, die op zoek gaan naar wie ze zijn, naar waar ze vandaan komen, naar waar ze naartoe willen. Mensen die nadenken over wat ze verloren hebben, waar ze hun werkelijk geluk kunnen vinden, zichzelf, en hun God.  Mensen die een thuis zoeken, fysiek of geestelijk. Misschien zijn wij die mensen wel, of zijn we dat geweest op een moment in ons leven.

 De tweede beweging is van de vader die de verloren zoon tegemoet rent.  We kunnen en mogen ons troosten met de gedachte dat God zo op de uitkijk staat. Dat Hij ons liefdevol en vergevingsgezind tegemoet komt als wij ons bekeren. We kunnen het heel bont maken, maar er is altijd een tweede kans bij God.

Maar… ook wij zullen bereid moeten zijn juist díe beweging te maken. Wij zullen met God mee moeten doen, als het gaat om het welkom heten van de mensen op zoek.

Geen opmerkingen: ik heb het je altijd al gezegd! Zie je nou wel! Eigen schuld…

Maar Laten we eten en feestvieren, want de zoon van mij is dood, en is weer tot leven gekomen. Laten we eten en feestvieren, want onze zuster, onze broeder, heeft weer hoop gevonden, een thuis gevonden, God gevonden, zichzelf hervonden.

En wij hebben haar en hem gevonden, in Gods Naam.

En dan is er nog die oudste zoon. Misschien wel een zoon waar we enig sympathie voor kunnen opbrengen, of begrip. Het valt ook niet mee, als je zo je best hebt gedaan en alle aandacht gaat uit naar die jongste. Hij kan, op dit moment de ommezwaai nog niet maken. Hij kan op dit moment nog niet feestvieren. De afgunst, jaloezie, het verongelijkte zit hem nog in de weg.  Het is nog niet tot hem doorgedrongen dat hij veel meer bezit dan die jongste broer, namelijk de aanwezigheid van zijn lieve Vader.

Ook hier kan de vader weinig doen. Het is zijn Vader, maar de oudst zoon zal zelf zijn hart moeten open stellen. Hij zal zelf ruimte moeten vinden om de liefde binnen te laten. En de vreugde.

Dat is de derde beweging: mensen die de moed hebben hun hart te openen voor Gods liefde, voor de vreugde van het Koninkrijk. Mensen die voluit blij durven zijn met hun Vader, met hun broers, met hun zusters. 

De vader herhaalt bijna letterlijk de woorden die hij tegen de jongste heeft gezegd, nu tegen de oudste: want deze zoon van mij was dood, en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is terug gevonden. En dan staat er in vers 24: en ze begonnen feest te vieren.

Dat ontbreekt in vers 32. Het is een open einde.

Het kan nog goed komen tussen de Vader en de Zoons, tussen God en de mensen.

Het kan nog goed komen met het Koninkrijk.

We zijn al halverwege Pasen, de zondag van de vreugde.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

 

 

 

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS