Preek over Lucas 13 vers 1 tot 9

Lijden & Vruchtdragen

 

 

De aloude vraag wordt hier gesteld: waarom moet ik lijden?

Waarom moet hij lijden? Waarom treft het noodlot haar zo hard?

Heeft het noodlot, zoals die moord  op de Galileeërs en het bedrijfsongeval in Siloam, een reden? Is het verklaarbaar? Is het een straf? Heeft het met God te maken? Komt het lot dat ons treft, op de één of andere manier uit Gods hand?

Is het dan een een straf van God? Heeft het te maken met de zondigheid van de mensen?

Het hele complex van vragen komt aan de orde in het gelezen gedeelte uit Lucas 13.

 

Het gedeelte begint met een vraag van de aanwezigen, mensen uit Jeruzalem en omstreken, misschien wat Farizeeërs, en ze vragen naar het lot van anderen. Naar het lot van de Galileeërs: en dat is gevaarlijk. Praten over...een andere groep mensen, in hun ogen wellicht een groep mindere mensen... praten over wie ze zijn, wat ze doen, over dat hun dood misschien wel hun eigen schuld is. Want dat bedoelen ze als ze het hebben over de veronderstelde zondigheid van die Galileeërs.

Waarmee zij tevreden kunnen constateren dat zij, de vragenstellers het beter doen, want zij leven nog!

 

 Een slechte vraag, maar wel een menselijke vraag:

want lijden is moeilijk, ontzettend moeilijk,

maar als er een reden achter zit, als het verklaarbaar is,

als het iemands eigen schuld is, als het dan dus te voorkomen zou zijn geweest,

als er ergens iets van betekenis aan gehecht kan worden,

als het zin heeft, al was het alleen maar om mensen te waarschuwen hun zondige leven niet voort te zetten, dan kun je er nog mee om gaan.

Hoe moeilijk ook.

 

We zien dat ook gebeuren. Mensen proberen grip te krijgen op het lijden.

Als een geliefde is overleden aan een ernstige ziekte, zetten ze een stichting op om onderzoek te doen naar de behandeling van die ziekte. Dan heeft het sterven van die mens nog iets goeds voortgebracht, zo denkt men.

Als een kind verongelukt in een onoverzichtelijk bocht, voeren ze net zo lang actie totdat de weg is aangepast. Bij een ongeluk moet de onderste steen boven om uit te zoeken wat de oorzaak is, als daarmee een volgende keer kan worden voorkomen, is het niet voor niets geweest....

 

Maar als lijden volstrekt willekeurig is, volstrekte toeval, het kan hem overkomen, maar mij net zo goed. Als het zonder enige betekenis is, als je er niets positiefs uit kunt halen, dan is het niet uit te houden.

 

Het antwoord van Jezus is kort en duidelijk: zeker niet, die Galileeërs en die mensen rond de toren van Siloam zijn niet zondiger dan jullie allemaal.

Het leed is niet gevolg van de zonde. God straft niet onmiddellijk.

En het past een mens al helemaal niet om te praten in wij en zij... zij zijn slechter, want het gaat hen slecht, wij zijn beter want wij hebben het zo goed getroffen.

 

Jezus wijst niet met het vingertje.

Want wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.

En Hij werpt geen stenen!

Maar stelt wel meteen de vraag: Hoe zit het met jullie?

Nee, mensen zijn niet schuldig aan het lijden.

Maar mensen zijn wel verantwoordelijk voor wat ze doen, en voor wat ze laten.

Mensen zijn wel verantwoordelijk of ze zich bekeren, bekeren tot God, of niet.

 

Het lijden van mensen kan ons die vraag stellen.

Het gaat niet over hún bekering, over hún geloof dan wel ongeloof, het gaat over

óns geloof, ónze bekering, ónze goede vruchten........

 

Het lijkt erop dat de gelezen perikoop uit twee gedeelten bestaat, eerst over schuld en lijden, daarna de gelijkenis over de onvruchtbare vijgenboom. Maar het hoort juist bij elkaar, in een wankel, maar zo belangrijk evenwicht.

Want die mensen, die omgekomen zijn, kunnen er niets aan doen.

Maar de mensen, de mensen die zijn blijven leven, die kunnen er wel wat aan doen.

Aan de wereld, aan de schepping, aan hun medemensen.

Aan verlichting van de pijn, aan het troosten in verdriet, aan het opkomen voor recht.

Want dat zijn de vruchten waar de beheerder van de wijngaard naar zoekt.

 

Het is een korte gelijkenis.

Er is een vijgenboom en die draagt geen vrucht, Al drie jaar niet.

3 jaar, in de wet van Mozes staat dat je van een vruchtboom de eerste drie jaar geen vruchten mag plukken. De boom moet eerst sterk en groot genoeg worden, de kans krijgen om te groeien.

Maar die drie jaar zijn ongetwijfeld ook een verwijzing naar de 3 jaar dat Jezus bezig is met zijn werk, ook Hij verwacht na drie jaar vrucht van zijn prediking,

 

De baas van de wijngaard wil de boom laten omhakken.

Een boom die geen vrucht draagt, staat alleen maar in de weg.

 

Een gelovige die geen vrucht draagt, staat alleen maar in de weg.

Een gelovige die geen vrucht draagt, dient de wereld niet, en de naasten niet, en uiteindelijk God niet.....

 

De wijngaardenier heeft nog een jaar geduld.

Ik zal hem mesten, de wortels erom heen omspitten, de wortels wat loswoelen, er alles aan doen om die boom te redden. Aan hem zal het niet liggen!

 

Is dat niet hoe God met mensen werkt?

Dat Hij ons voedt, wat loswoelt, misschien eens de wortels wat afsteekt, het is niet zo comfortabel, maar is uiteindelijk gericht op het vrucht dragen, op de toekomst.

Wanneer is God met mijn leven, met uw leven, met ons leven zo bezig geweest?

Heeft Hij ons de tijd, de mogelijkheid gegeven om te groeien?

 

Ik dacht: misschien kunnen we in deze tijd op weg naar Pasen eens zo naar ons leven kijken, met die vraag in ons achterhoofd; wanneer en hoe heeft God me uitgenodigd vruchten te dragen in geloof.

Door eens naar ons leven te kijken, en soms zijn het juist de moeilijke periodes die ons dichter bij God hebben gebracht. Niet altijd.

Soms is het lijden een aanleiding om eens na te denken over bekering. En bekering heeft alles met de vruchten van het geloof te maken.

Er is nog tijd!

We krijgen tijd, dat jaar in de gelijkenis is niet bedoeld om mensen het mes op de keel te zetten. Dat jaar is bedoeld om ons te doordringen van Gods liefde, en geduld, en zijn bemoeienis met mensen.                      Amen. 

Oud-Katholieke Parochie St. Willibrordus, Arnhem | Site techniek: SyncCMS